Kerken

St. Martinuskerk

Voorgeschiedenis

Bijna de gehele zeventiende eeuw had de katholieke gemeenschap in Didam geen eigen kerk. De enige dorpskerk in Didam was aan het eind van de zestiende eeuw in handen van de Gereformeerde Gemeente in Didam gekomen. De Gereformeerde religie was in die tijd de enige, die in het openbaar mocht worden uitgeoefend (1582). Door de komst van de Fransen konden de Didamse katholieken in 1672 weer hun intrek nemen in de oude dorpskerk. Dit was echter maar van korte duur en in 1674 werd men al weer gedwongen deze kerk te verlaten. Alle vieringen van de katholieke godsdienst werden verboden en de dorpskerk werd weer toebedeeld aan de Gereformeerden. Daarna werden de katholieke kerkdiensten gehouden in verschillende lokalen/ruimten, welke door particulieren waren aangeboden. In 1698 werd aan de Weemstraat op een perceel grond van Johanna Catharina van Plees, weduwe van Willem van Erp van Havesathe De Heegh, een nieuwe schuur gebouwd, welke als katholieke kerk dienst ging doen. Op last van het Hof van Gelderland moest deze 'paepsche' schuilkerk in 1699 (bevel van 5 april 1699) al weer worden afgebroken.


 De eerste schuilkerk aan de Kerkstraat

In 1716 kocht Balthasar van Erp, gehuwd met Antoinette van Voorst, een boerderij aan de Kerkstraat om als kerkgebouw voor de katholieken dienst te doen. Het achterhuis werd ingericht als schuilkerk en het voorhuis als pastorie. Van Erp had de boerderij op zijn naam gekocht om te voorkomen, dat opnieuw problemen zouden ontstaan als het openlijk op naam van de katholieke gemeente werd gekocht. In 1828 werd achter de schuilkerk een kerkhof aangelegd, welke op 5 oktober 1828 door de Aartspriester J. Gerritsen werd ingezegend. Dit kerkhof is nadien meerdere keren uitgebreid


De bouw van de waterstaatskerk St. Martinus

In het begin van de negentiende eeuw stelde de overheid subsidies beschikbaar om bouwvallige kerken te vervangen door nieuwe gebouwen. De uitvoering hiervan werd gecoördineerd door het ministerie van Waterstaat. In het gehele land werden vervolgens een groot aantal zogenaamde Waterstaatskerken gebouwd. Ook de schuilkerk van de katholieken in Didam was zodanig slecht, dat zij door een nieuw kerkgebouw vervangen diende te worden. In 1835 kon met de bouw worden begonnen. Op 24 oktober 1837 werd de kerk ingewijd door aartspriester Terwindt. De kerk werd onder bescherming van de heilige Martinus gesteld en stond rechts naast de eerdere schuilkerk (boerderij) van 1716. Op de plaats waar de vroegere schuilkerk had gestaan, werd in het midden van de negentiende eeuw de pastorie gebouwd.

waterstaatkerk_1900 waterstaatkerk2
De St. Martinus waterstaatskerk
circa 1900
De St. Martinus waterstaatskerk


Restauratie of noodzakelijke reparatie

Rond 1950 was de Martinuskerk in een zodanig slechte staat dat restauratie noodzakelijk was. Er waren ook problemen met de capaciteit van de Martinuskerk in verband met groei van de Martinusparochie en men had het voornemen om een tweede parochie met kerk te stichten. Er werd toen besloten om het kerkgebouw zodanig op te knappen dat deze nog een aantal jaren gebruikt kon worden. Het dak en de vloeren werden vernieuwd, goten waterdicht gemaakt en de muren geschilderd. Het hoofdaltaar werd vernieuwd (met lange donkere gordijnen aan de achterwand) en de oude preekstoel, die halverwege in de kerk stond, werd verwijderd. De banken, waaraan sinds de bouw niets meer gedaan was, werden geschilderd. De beelden, die op sokkels aan de pilaren waren bevestigd, werden naar de zijkant verplaatst.

binnenkant_kerk
Binnen in de kerk


De bouw van een nieuwe Martinuskerk

Rond 1960 werd nog gedacht aan het stichten van een derde katholieke parochie in het dorp Didam. In 1970 werd duidelijk dat dit niet zou gebeuren. Wel vond men dat er naast de Mariakerk een tweede kerk blijvend nodig zou zijn. Deze tweede kerk zou plaats moeten bieden aan vijfhonderd kerkgangers en daarnaast ruimte moeten bieden voor bijeenkomsten van werkgroepen en andere parochiële activiteiten. Architect J. Dresmé uit Zeist ontwiep in 1975 het nieuwe kerkgebouw en in de herfst van 1977 was het gereed. Op 11 december 1977 vond de inzegening plaats door Kardinaal Willebrands. Hij werd daarbij geassisteerd door de pastores J.F.F. Bäcker en J.C. Weldam. De feitelijke kerkconsecratie had alleen betrekking op de dagkapel, terwijl de liturgische ruimte werd ingezegend. De oude vertrouwde St. Martinus waterstaatskerk van 1837, waaraan heel veel Didammers mooie herinneringen bewaren, werd in 1977 gesloopt.

sloop_oude_kerk nieuwe_martinuskerk
Sloop van de oude kerk De nieuwe Sint Martinuskerk


Sloop van de nieuwe St. Martinuskerk

De nieuwe St. Martinuskerk was geen lang leven beschoren. In 2005 werd besloten om de parochies van St. Martinus en Maria samen gebruik te laten maken van de Mariakerk. Op 3 juli 2005 vond in de St. Martinuskerk de laatste dienst plaats en werd in processie naar de Mariakerk gelopen, alwaar een intreddienst werd gehouden. De St. Martinuskerk werd gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe gezondheidscentrum. De Kerkstraat moet het vanaf dat moment doen zonder kerk.


Bronnen:

  • Dagblad De Gelderlander van 22-10-1937
  • Parochieblad Samen Onderweg (Didam juli 2005)
  • Heijden, van der, L.J., Geschiedenis der parochie Didam (Utrecht 1937)
  • Heugten van, W.F.W.M., in hoofdstuk 5.3 van Kerkenboek Didam (Nijmegen 2000)
  • Didam in de twintigste eeuw, jaar 1977 (Didam 2007)

De Mariakerk

De bouwgeschiedenis 

Op de plaats van de huidige Mariakerk in het centrum van Didam hebben minstens twee voorgangers gestaan. 

Periode Omschrijving

11e tot 12e eeuw
12e tot 14e eeuw


1367
+ 1450

eind 15e eeuw


tweede helft
16e eeuw

1619


Een stenen kerkje van 10 meter breed en 23 meter lang
Een romaans kerkje met een hoog gotisch priesterkoor, met een
zadeldak afgedekt laag romaans schip en waarschijnlijk een romaanse
toren
Brand en wederopbouw of nieuwbouw.
Een hoge gotische toren werd opgetrokken in baksteen en bekleed
met tufsteen
Het laag Romaans schip werd vervangen door een driebeukig
pseudo-basilikaal middenschip met zowel in het midden- als in de
zijbeuken zgn. kruisribgewelven (zoals we het thans kennen)
Opnieuw brand. Daarbij zijn vermoedelijk de gewelven van het
middenschip, de zuidbeuk en het priesterkoor ingestort. De
wederopbouw heeft jaren geduurd
In 1619 werd het gewelf in het priesterkoor weer aangebracht zoals
uit het jaartal 1619 op de sluitsteen blijkt. Aannemelijk is dat de
wederopbouw van de dorpskerk in 1619 is voltooid


Voor meer informatie over de bouwgeschiedenis van de Mariakerk klik hier.


Aankoop door katholieken

Rond het midden van de vorige eeuw was de oude dorpskerk in ernstig verval geraakt. Omdat er geen financiële middelen voorhanden waren voor restauratie en de kerk te groot was voor de kleine Nederlands-hervormde gemeenschap in Didam, besloot de kerkenraad over te gaan tot verkoop. In 1954 werd de kerk verkocht aan de katholieke moederparochie Sint Martinus. De Didamse katholieken hadden deze kerk in gebruik gehad tot 1596 en voor het laatst tijdens de Franse bezetting van 1672-1674. De Nederlands-hervormde gemeente bouwde na de verkoop aan de Torenstraat een nieuwe kerk op een eigen bouwterrein.

Voor meer informatie over aankoop van de oude dorpskerk door de katholieken klik hier.


De klokkengeschiedenis

Van de klokken die in de Didamse toren gehangen moeten hebben is weinig of niets bekend. De geërfden kochten, onderhielden en luidden de klokken en onderhielden ook het uurwerk in de Didamse toren. Dat veranderde niet toen in 1596 de kerk overging in hervormde handen. De burgerlijke gemeente bleef eigenaar zoals ook nog in 1841 bleek uit de overeenkomst tussen kerkvoogdij en gemeentebestuur betreffende de toren. Pas de huidige klokken in de toren zijn eigendom van de katholieke parochie.

De oudste kerkklokken in Oost-Gelderland en het aangrenzende Kleefsland dateren uit het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw.

 

Voor meer informatie over de geschiedenis van de klokken, klik hier.

Aankoop dorpskerk

Aankoop

De kerkenraad van de Nederlands-hervormde gemeente wilde de kerk al eerder verkopen aan de gemeente Didam. De bedoeling daarbij was om het kerkgebouw af te breken en de monumentale toren uit het begin van de 15de eeuw na restauratie aan de gemeente Didam over te dragen. Op 28 april 1950 kreeg het kerkbestuur van de Sint Martinusparochie een brief van het aartsbisdom Utrecht waarin werd medegedeeld dat de Didamse dorpskerk te koop was. Gevraagd werd om deze mogelijkheden van aankoop te bezien. Het aantal katholieken van de moederparochie was in die tijd zo groot geworden dat een keus moest worden gemaakt tussen het opsplitsen van de parochie en de bouw van een tweede kerk of het vergroten van de bestaande Martinuskerk aan de Kerkstraat. Uiteindelijk werd besloten de oude dorpskerk aan te kopen en de Martinusparochie op te splitsen in twee parochies. Na restauratie van de oude dorpskerk zou deze gaan toebehoren aan de nieuwe parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand. Door de stichting Sint Albertus werd het oude fratershuis met grond geschonken en daarop kon een nieuw parochiehuis worden gebouwd.

 

oude_kerk1 oude_kerk2
De oude dorpskerk in slechte staat


De restauratiekosten

De kosten voor de aankoop, nieuwbouw, restauratie en inrichting konden worden bekostigd uit subsidies, leningen, schenkingen en bijdragen door de Didamse gemeenschap. Pastoor A.F.A. Janssen en zijn vele helpers lieten geen gelegenheid onbenut om op feesten, bruiloften, kermissen, schuttersdagen, loterijen en huis aan huisakties bijdragen te vragen voor de restauratie van de oude dorpskerk. Hij hield de stand wekelijks in rijm bij in weekblad ‘De Liemers’.

 

inzamelen_pastoor_jansen stand_op_rijm
Inzameling door
pastoor Janssen
Stand op rijm
in De Liemers


Restauratie en nieuwbouw

De oude dorpskerk verkeerde bij aankoop in een zeer slechte en vervallen staat. Het dak lekte en was voor een groot deel van golfplaten voorzien. Binnen in de kerk was – vanwege de geringe omvang van de Nederlands-hervormde gemeenschap - een houten binnenkerk gebouwd. Ingenieur Deur van architectenbureau Deur en Van Poederoyen was belast met de voorbereiding en juiste uitvoering van de restauratie. Hiermee werd in 1956 een aanvang gemaakt. Aannemersbedrijf Jos Neijenhuis uit Arnhem voerde de restauratie uit en het sloopwerk werd verricht door de firma Van Vuuren uit Didam. De Diemse toren werd bij deze restauratie weer voorzien van een platte spits. Na de restauratie werd op 11 juni 1961 de kerk feestelijk ingewijd door kardinaal Bernardus Alfrink.

 

restauratie_buiten restauratie_binnen
Restauratie buiten Restauratie binnen


Metamorfose rondom kerk

De gemeente Didam liet zich ook niet onbetuigd door de omgeving van de gerestaureerde monumentale kerk een ander aanzien te geven. Er werd meer ruimte gecreëerd voor het Lieve Vrouweplein door het dorpsbepalende notarishuis aan te kopen en het vervolgens af te breken. Voor het aanleggen van het kerkplein moesten er ook woningen wijken. De Raadhuisstraat werd vervolgens recht doorgetrokken naar de Wilhelminastraat.


De Diemse toren in het licht

Het dorp heeft door de restauratie van de kerk en de wegenreconstructie een geheel ander aanzien gekregen met de kerk als middelpunt. Vanaf 1978 wordt de kerk in het donker ook nog eens fraai verlicht. Als je nu ’s avonds laat huiswaarts keert, zie je al van verre die mooie vertrouwde Diemse toren.

 

kerk_1961 kerk_nacht
Kerk en pastorie
in 1961
Kerk in het licht
na 1978

 

Bronnen:

  • Janssen, A.F.A., eigen memoires (Didam 1983)
  • Staring, F.J.M. en Beursken, J.A.B., in hoofdstuk 2-1 van Kerkenboek Didam (Nijmegen 2000)
  • Heugten van, W.F.W.M. en Wit de, J.M., in hoofdstuk 5.1 van Kerkenboek Didam (Nijmegen 2000)
  • Didam in de twintigste eeuw, jaar 1954 (Didam 2007)

Bouwgeschiedenis Mariakerk

Archeologisch onderzoek in 1957

De opgravingen in de Mariakerk, die in 1957 onder leiding van Dr. Halbertsma van het ROB werden uitgevoerd, hebben aan het licht gebracht dat op de plaats van de huidige kerk ten minste twee voorgangers hebben gestaan. Dit waren zogenaamde zaalkerkjes met een vierhoekig grondplan en opgetrokken in tufsteen. Waar men de tufsteen vandaan haalde is onbekend. Vermoedelijk, maar niet zeker, heeft men uit de vele Romeinse ruines, die nog in de elfde en twaalfde eeuw langs de Rijn stonden, deze natuursteen gehaald. Een andere mogelijkheid vormt aanvoer uit Duitsland op grote vlotten over de Rijn.

 

kerk_1900 sporen_oud_kerkhof
De dorpskerk
circa 1900
Sporen van oud
kerkhof


Het eerste kleine kerkje in de elfde eeuw

Het oudste stenen kerkje dat men vond, was tamelijk klein. Het was even breed als het huidige schip (ca. 10 m) en ongeveer 23 m lang. Het gebouwtje was gefundeerd op een bed van kalkgruis, eersteen en ijzerslakken. Het had geen westtoren en ook een apsis ontbrak. Als bouwtijd houdt men de elfde eeuw aan. In dezelfde periode zijn er in de Liemers en daarbuiten meer kerken gebouwd onder andere te Angerlo, Duiven, Groessen en Wehl. Dit elfde eeuwse kerkje werd later in oostelijke richting met een travee uitgebreid waarin het altaar stond. Van een smallere apsis in de gebruikelijke zin was geen sprake. In westelijke richting bouwde men enkele traveeën waarvoor men vermoedelijk ook een toren plaatste, zoals in Duiven en Groessen het geval was. Of er onder de huidige toren sporen van deze elfde eeuwse toren nog aanwezig zijn kon niet onderzocht worden. De opgravingen in de Didamse kerk doen vermoeden dat de vroegste bouwgeschiedenis niet veel verschilt van het stramien dat men in Oost-Gelderland en het aangrenzende Kleefsland aantreft. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de meeste kerken zijn gebouwd op plaatsen waar al in de tiende eeuw, of zelfs nog vroeger, eenvoudige zaalkerkjes stonden.


Het tweede romaanse kerkje

De periode tussen 1100 en 1300 wordt in heel West-Europa gekenmerkt door economische groei en bevolkingstoename. Ook in religieus opzicht is er sprake van vernieuwing en bloei. Deze ontwikkeling vond zijn weerslag in nieuwe kerkgebouwen die overal verrezen. In de loop van de twaalfde eeuw werden de oude bestaande houten kerkjes vervangen door tufstenen gebouwen in romaanse stijl. Deze kerken moeten er min of meer uniform hebben uitgezien: een vierkante toren van enkele verdiepingen met daarachter een rechthoekig schip, afgesloten met een priesterkoor in de vorm van een vierkante of ronde absis. Als dakvorm meestal het eenvoudige zadeldak. Dergelijke kerken hadden ook een functie als 'weerkerken', waarin de plaatselijke bevolking zich bij oorlogsgevaar kon terugtrekken. Combineert men het twaalfde eeuwse schip van de oude Sint Willibrorduskerk van Keilen bij Kleef met haar hoge kleine vensters en een vlakke houten zoldering, met de onderste geledingen van bijvoorbeeld de Duivense of Groessense kerk waarop men dan een eenvoudig zadeldak denkt, dan heeft men een goed beeld hoe deze kerken - en vermoedelijk dus ook de tweede Didamse kerk - eruit moet hebben gezien. Dit tweede romaanse kerkje heeft waarschijnlijk tot omstreeks de helft van de veertiende eeuw dienst gedaan.


Brand omstreeks 1367

Kort voor of in het jaar 1367 moet het kerkje door brand getroffen zijn. Uit een aflaatbrief te Rome, gedateerd op 21 oktober 1367, blijkt dat degenen die aan de wederopbouw van de Didamse kerk meewerkten een aflaat van een jaar en 400 dagen verleend zou worden. De vraag blijft open of men op dat moment begonnen is aan een nieuwe kerk op dezelfde fundamenten of de ruïne van de bestaande kerk weer heeft opgebouwd. Het is niet onwaarschijnlijk dat in die tijd wel het plan is ontstaan de bestaande kerk te vergroten met een priesterkoor, zoals ook elders wel gebeurde. Voorbeelden uit die periode zijn de kerken van Angerlo, Bedburg, Keilen, Wissel en Zyfflich. Deze nieuwbouw moet omstreeks 1400 aan de Didamse kerk uitgevoerd zijn zoals de bouwstijl laat vermoeden. Men doorbrak daarvoor de oostmuur van de bestaande zaalkerk zoals uit bouwsporen is gebleken, die bij de jongste restauratie werden ontdekt. Opmerkelijk zijn de steunberen tegen het priesterkoor: ze hebben afdakkingen in de vorm van zadeldakjes.
Als bouwmateriaal voor het priesterkoor koos men niet de dure tufsteen maar de goedkopere baksteen. Dit past in een ontwikkeling die men in de gehele streek kan waarnemen. De oudste bouwfragmenten in baksteen dateren van het einde van omstreeks 1300. Aanvankelijk werd dit bouwmateriaal als minderwaardig beschouwd; men gaf de voorkeur aan de edelere natuursteen. Uit kostenoverwegingen ging men langzaam over op baksteen dat men met tuf bekleedde. Weer later liet men de tufstenen bekleding achterwege en bouwde volledig in baksteen. De raadhuizen in 's-Heerenberg, Gennep en Kalkar van omstreeks 1450 getuigen van de hoge vlucht die de baksteenarchitectuur nam. In de eerste helft van de veertiende eeuw moet de kerk bestaan hebben uit een hoog gotisch priesterkoor, een met een zadeldak afgedekt laag romaans schip, en waarschijnlijk een romaanse toren. Alle elementen waren even breed als het huidige schip en priesterkoor.


Gotische toren

Omstreeks 1450 werd de gotische toren opgetrokken in baksteen en bekleed met tufsteen. Transacties met tufsteen in de jaren 1458 en 1459 maken een ruwe datering mogelijk. De Didamse toren vertoont qua bouwstructuur (o.a. de overhoeks geplaatste westelijke steunberen) verwantschap met die van Neder-Elten (onderste tufstenen geledingen) en Oud-Zevenaar (begonnen na 1454). De lichtere bouwstructuur doet vermoeden dat de Didamse toren wat jonger is. Een ander aanknopingspunt vormt het jaartal 1473 op de toenmalige luidklok. Is de toren wellicht kort tevoren gereed gekomen en heeft men deze nieuwe klok speciaal voor de nieuwe toren laten gieten?


Romaans schip vervangen door driebeukig middenschip

De bouwactiviteiten in de tweede helft van de vijftiende eeuw resulteerden in een kerk met een hoge gotische toren waartegen een laag romaans schip en een hoog gotisch priesterkoor. Niet lang daarna moet het als ouderwets beschouwde romaanse schip zijn afgebroken en vervangen door het huidige driebeukige pseudo-basilikale middenschip met zowel in de midden- als zijbeuken zogenaamde kruisribgewelven. Bekend is dat in het jaar 1493 het schip opnieuw gewijd werd. Uit rekeningen van de bisschoppelijke vicaris van 1493/94 blijkt dat er verbouwingen kort te voren werden uitgevoerd. Of daarmee deze bouwfase afgesloten werd kan betwijfeld worden. Op basis van stijlkenmerken zou het schip ook enkele decennia later gebouwd kunnen zijn. De schenking van een glasraam in 1553 door de graaf van den Bergh zou dan passen in de afronding van de bouwactiviteiten.


Opnieuw brand en ingrijpende restauratie

De kerk brandde uit in de tweede helft van de zestiende eeuw, waarschijnlijk als gevolg van oorlogshandelingen in de strijd tussen Staatse en Spaanse troepen. In een Berghse afrekening uit 1600 staat: dewyll dieselbe (kerk) voer etliche jhaerenn afgebrand! (is). Vermoedelijk zijn daarbij de gewelven van middenschip, zuidbeuk en priesterkoor ingestort. In de laatste jaren van de zestiende eeuw keerde de rust weer terug in de streek en begon men aan wederopbouw te denken. Zowel in geld als in natura werd bijgedragen, zoals uit meerdere archiefstukken blijkt. In die tijd schonken bijvoorbeeld de Didamse geërfden 'timmerholt tot volleste timmeringe van de kercke'. De periode van betrekkelijke rust tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1612) heeft men waarschijnlijk aangegrepen voor een meer ingrijpende restauratie. De bouwactiviteiten moeten meerdere jaren hebben geduurd. Men bracht in het middenschip een horizontale zoldering aan met moer- en kinderbalken. In 1619 werd het gewelf in het priesterkoor weer aangebracht zoals uit het jaartal 1619 op de sluitsteen blijkt. In datzelfde jaar moet een zekere Johan een raam voor de kerk gemaakt hebben. Ook schonk het stadsbestuur van Zevenaar op “suppliceren der Jonckeren ende gemenen naburen des Kerspels Didam” een raam aan de Didamse kerk, zoals uit afrekeningen uit 1620/21 blijkt. In dat verband wordt de naam van een meester Jan Warmelinck uit Doesburg genoemd. Is hij de glazenier ]ohan waarvan in 1619 sprake is? Al met al lijkt het aannemelijk dat de wederopbouw van de Didamse kerk in 1619 voltooid is.

schets_jan_beijer plafond_1619
Schets van Jan de Beijer in 1742 Wederopbouw in 1619



Klein deel in gebruik en nieuwe restauratie in negentiende eeuw

In de eeuwen hierna is van ingrijpende verbouwingen en restauraties niets bekend. De kleine Hervormde Gemeente gebruikte slechts een klein gedeelte van het grote gebouw. Ook financieel was men niet in staat voor het nodige onderhoud te zorgen. Na de Franse tijd bleek dat de kerk dringend aan restauratie toe was. Het kerkgebouw was veel te groot en alleen het middenstuk van het middenschip werd gebruikt. Met schotten en glaswerk was dit deel van de rest van de kerk afgescheiden. De zandstenen ramen van het schip werden in 1827 vervangen door gietijzeren, enkele werden zelfs dichtgemetseld. In 1851 werd in het middenschip een neogotisch gewelf aangebracht. Maar ook de toren diende opgeknapt te worden

.

preekstoel kerkorgel
Klein deel van kerk in gebruik


Vervanging hoge torenspits

In 1839 verzocht de Hervormde Gemeente het gemeentebestuur om de spits van de toren te herstellen. De toren was namelijk eigendom van de burgerlijke gemeente zoals uit de kadastrale gegevens uit 1832 blijkt. Het gemeentebestuur verklaarde echter de toren te willen afbreken. Gelukkig is het zover niet gekomen. De Hervormde kerkvoogdij besloot zelf het strikt noodzakelijke achterstallige onderhoud ter hand te nemen. Dit resulteerde in het afbreken van de hoge torenspits in het jaar 1846 en die te vervangen door een klein piramidevormig dak. De kosten beliepen ƒ 1.175,--.



kerk_1910 kerk_1950
De dorpskerk
circa 1910
De dorpskerk
circa 1950


Nadat in 1954 de kerk in handen van de katholieke gemeenschap was overgegaan, werd een grondige restauratie uitgevoerd. Daarbij werd het gebouw zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht. De restauratie begon in 1956 en duurde tot 1961.


Bronnen:

  • W. F. W. M. van Heugten en J. M. de Wit, Kerkenboek Didam, Geloven rond de Diemse toren, duizend jaar kerkgeschiedenis, Hoofdstuk 5-1 (Nijmegen 2000)
 

Klokkengeschiedenis Mariakerk

Weinig informatie over de eerste drie eeuwen

Hoogstwaarschijnlijk hebben - zoals in andere kerken in de streek - een of meer klokken in de toren van de Diemse dorpskerk gehangen. Het jaartal 1473 op een verdwenen klok geeft een eerste aanwijzing dat er daadwerkelijk geluid kon worden. Opmerkelijk is dat in de volgende drie eeuwen - op een enkele uitzondering na - met geen woord over klokken gerept wordt. Opmerkelijk omdat het aannemelijk is dat bijvoorbeeld bij de kerkbrand op het einde van de zestiende eeuw één of meer Didamse klokken verloren zijn geraakt of - als gevolg van de oorlogshandelingen - zijn gevorderd om tot geschut te laten 'vergieten'. Mogelijk duidt een machtiging van graaf Albert van den Bergh, gedateerd 17 mei 1632, hierop. Volgens deze machtiging mocht richter Willem van Plees de geërfden en de 'aanwesende Jonckeren' bij elkaar roepen om te vergaderen over geldelijke middelen 'soo tot dese Clocke van noode soude moegen wesen'. In zijn artikel over de klokkengietersfamilie Van Trier heeft A. Dorgelo in 1961 aangetoond dat in de eerste decennia van de zeventiende eeuw, maar ook in de jaren na de Franse inval in 1672, in de Liemers veel nieuwe klokken in de torens werden gehangen. Vermoedelijk zijn er toen - evenals tijdens de Napoleontische tijd omstreeks 1800 en de Tweede Wereldoorlog - klokken uit de toren gehaald om te vergieten tot geschut.

Klokkengieter Peckel naar Didam

Tijdens de periode van herstelde vrede na de Franse inval in het Rampjaar, past ook de poging die men omstreeks 1680 heeft ondernomen om een 'horlogie offte uyrwerck' in de toren aan te brengen. Het ontbreken van vermeldingen over klokken is des te opmerkelijker omdat omstreeks 1680 klokkengieter Rutger Peckel zich te Didam vestigde. Hij was te Huissen gehuwd met een dochter van Peter van Trier, de vierde van die naam die het beroep van klokkengieter uitoefende. Wanneer hij zich precies te Didam vestigde en wanneer hij deze plaats weer heeft verlaten, is niet meer te achterhalen. In de Didamse doop-, trouw- en overlijdensregisters komt zijn naam niet voor. Dat hij daadwerkelijk in Didam het klokkengietersvak heeft uitgeoefend, is zeker. In 1688 wordt melding gemaakt van het vervoer van het gietgereedschap van Didam naar Elst, waar Peckel een aantal klokken voor Elst, Huissen en Ressen heeft gegoten. Tevens staat vast dat Peckel in oktober 1692 in zijn werkplaats te Didam een ruim 1000 pond zware klok voor Herwen heeft gegoten. In 1699 is er sprake van tenminste één klok in de toren. Onderwijzer Harmen van Basel kreeg van de geërfden opdracht om op 1 september 's avonds om 9 uur de klok te luiden bij gelegenheid van het overlijden van Mary Stuart, echtgenote van Willem van Oranje en koningin van Engeland.
Het was tot in de negentiende eeuw de taak van de koster-onderwijzer het uurwerk te onderhouden en de klokken te luiden. In 1726 werd bepaald dat de toenmalige onderwijzer Jan de Pieper jaarlijks  ƒ 5,-- kreeg voor het 'kleppen' bij begrafenissen.

Begin achttiende eeuw minstens twee klokken

In 1711 waren er weer problemen met de klok: kerkmeester Jan Post werd door de geërfden gemachtigd die 'ten spoedigste te doen repareeren'. Op het einde van het jaar 1738 blijken er in de Didamse toren minstens twee klokken te hangen. Op 22 december van dat jaar wordt aan de drost gevraagd te onderzoeken hoe het komt dat de grote klok is gebarsten. Wat de oorzaak was, is niet bekend. Vermoedelijk heeft Jean Petit deze klok opnieuw gegoten. In de jaren 1740-1742 heeft deze klokkengieter, die uit Lotharingen stamde en in Helmond woonde, in Oost-Gelderland meerdere klokken gegoten. In november 1742 komt een zekere Hendrik van Geldrop het resterende 'klokkenspijs na het gieten van de kloeken tot Didam overig ophalen' om naar Helmond te brengen. Het karwei moet dus te Didam geklaard zijn, op het kerkhof zoals in die tijd gebruikelijk was. In het Geërfdenboek van die tijd komen meer rekeningen voor waarbij sprake is van het 'vergieten van kloeken'. Slechte kwaliteit van het klokkenbrons en problemen om het brons tot zodanig hoge temperaturen te verhitten dat het dun vloeibaar werd en alle gietholten kon vullen, vormen de oorzaak dat klokken vaak barstten. Maar zoals gebruikelijk in die tijd luidde men bij feestelijke gelegenheden urenlang achtereen, hetgeen op de duur ook niet goed was voor de klokken. In 1748 was weer een klok gebarsten. In de kerkrekeningen wordt een bedrag van ƒ 50,-- opgevoerd voor het vergieten van een klok. Gezien het bedrag moet het een kleine klok geweest zijn. A. Tinneveld vond een ongedateerde offerte van klokken- en geschutsgieter Pieter Seest uit Amsterdam die bereid was een gebarsten klok met een gewicht van 2200 pond voor een bedrag van ƒ 1.040,-- over te nemen en een kleinere klok van 1600 pond te leveren voor ƒ 825,--. Onduidelijk is echter of het betreffende archiefstuk betrekking heeft op Didam. In 1777 komen de klokken van Didam weer ter sprake.

Nieuwe klok in 1777

Van 21 juli 1777 dateert een contract over het vergieten van een oude gebarsten klok. De Didamse drossaard G.W. van der Portzen, J.E. baron van Voorst, E.J. baron van der Schueren en kerkmeester C.D. Roelant gaven daarbij de in Isselburg woonachtige klokkengieter Christiaan Voigt opdracht een nieuwe klok van 'eenen reinen suijveren klanck' te gieten en de oude klok daarvoor te gebruiken. Uit het contract blijkt dat er op dat moment nog een kleine klok in de toren hing. De nieuwe klok moest daarmee harmoniëren. De 850 kilogram zware klok met een slagwijdte van 115 cm en een hoogte van 90 cm werd in aanwezigheid van de opdrachtgevers te Isselburg gegoten en door de gehele Didamse gemeenschap betaald. Deze klok had als opschrift:

Heer Wilhelm van der Portzen
Drossaard, richter en landschrijver der heerlijckheid Diedam
Heer Johan Egidius baron van Voorst
Heer Everardus Johannes baron ver Schuren,
Gecommitteerden
Carel David Roelant, kerkmeester Anno 1777 der heerlijckheid Diedam.

Een mededeling uit 1811, waarbij de maire van Didam de koster van de hervormde kerk opdracht gaf met alle - en niet beide - klokken te luiden bij gelegenheid van de geboorte van de zoon van keizer Napoleon, biedt ruimte aan de mogelijkheid dat na 1777 drie klokken in de Didamse toren hebben gehangen. De kleine klok werd in 1841 genoemd in de overeenkomst tussen gemeente en hervormde kerkvoogdij betreffende de eigendomsrechten van toren, klokken en uurwerk. Hij was ongeveer 500 pond zwaar en in slechte staat. Aan materiaal bracht deze 'ouden geborsten klok' toentertijd ƒ 515,07 op.

Klok gevorderd tijdens Tweede Wereldoorlog

De Voigt-klok uit 1777 werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gevorderd. Op 20 januari 1943 werd de klok door medewerkers van Rüstungs Inspektion Niederlande uit de toren gehaald en naar het klokkendepot te Doesburg afgevoerd. Vandaar is hij via Tilburg naar Hamburg vervoerd alwaar hij in de smeltovens verdween. Na de Tweede Wereldoorlog nam de Hervormde Gemeente het gesprek op met de gemeente over een mogelijke overname en restauratie van de toren. Ook de klokken waren onderwerp van gesprek. Als één van de voorwaarden bij een mogelijke verkoop stelde men, dat als toren en klokken eigendom van de burgerlijke gemeente waren, de klokken op katholieke feestdagen niet geluid zouden mogen worden! Niet onvermeld mag de poging van pastoor Reuvekamp blijven, om een nieuwe klok in de Didamse toren te krijgen

Aankoop twee nieuwe klokken in 1961

Na een gunstig verlopen geldinzameling kon pas in 1961 door het kerkbestuur opdracht gegeven worden om twee nieuwe klokken te gieten. Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel voerden de opdracht uit en goten een 1700 kg zware klok met een doorsnede aan de klokkenmond van 138 cm, gestemd in D en een 1200 kg zware klok van 124 cm in E. In juni 1961 werden ze geleverd, op tweede Pinksterdag gewijd en in de toren opgehangen.
Het opschrift van de grote Maria-klok luidt:

Door oorlog's geweld ging ik verloren
De Didammers schonken mij terug
Bij restauratie van deze toren
18 juni 1961 klonken mijn eerste klanken
Dat was om kardinaal Alfrink voor de
consecratie van deze kerk te bedanken
Aan Maria werd ik toegewijd
Ik hoop de lof van God te zingen nog lange tijd

 

zegening_klok1 zegening_klok2
Pastoor Janssen en Deken Frank
zegenden de Maria-klok 

Op de Andreas klok staat:

Andreas was de naam van de pastoor
Die de restauratie van de kerk en toren ondernam
Met Jan Giesen, Jo von der Haar, Hendrik Cornelissen en Gradus Looman
vormde hij het kerkbestuur van de parochie van Didam
Wanneer mijn stem over Didam klinkt in vreugd en rouw
dan zal hij door St. Andreas voorspraak de Heer vragen
dat het Didamse kerkvolk Hem altijd blijft trouw

 

aankomst_andreasklok kerkbestuur_bij_andreasklok
Andreasklok bij aankomst Kerkbestuur bij Andreasklok

Aanschaf derde klok in 1993

Vijftig jaar nadat de klok voor de Duitse oorlogsindustrie werd gevorderd, in april 1993, werd een derde klok in de toren gehangen. Het is de Vredesklok van 675 kg, die op 10 maart 1993 in aanwezigheid van een aantal leden van het kerkbestuur bij de firma Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel gegoten werd. Hij draagt naast de namen van de pastores en het kerkbestuur als opschrift:

Wilt heden nu treden,
wij kondigen een Genadejaar aan

 

maria_en_andreasklok vredesklok
De Maria- en Andreasklok
in toren 
De vredesklok
in 1993 

 

Bronnen:

  • Kerkenboek Didam, Geloven rond de Diemse toren, duizend jaar kerkgeschiedenis, blz. 378-381, W.F.W.M. van Heugten en J.M. de Wit (Nijmegen 2000

Protestante kerk

Voorgeschiedenis

Op 18 januari 1954 was de verkoop van de oude kerk aan de rooms-katholieke Didammers een feit. Afgesproken was – vanwege de gevoeligheden wederzijds – dat er niet juichend zou worden gedaan in de rooms-katholieke media. Dus geen ‘Voor de verkoopster krenkende uitingen van vreugde’! Ook geldt nu nog steeds de bepaling dat in de Mariakerk geen aanduiding aangebracht mag worden waarin melding wordt gemaakt van de verkoop. Voor het bedrag – na aftrek van de overdrachtskosten overgebleven – van ƒ 207.500, kon de protestantse gemeente een nieuw onderkomen gaan bouwen. Totdat de nieuwe kerk klaar was, mochten de protestanten gebruik blijven maken van de oude dorpskerk.


Bouw nieuwe kerk aan de Torenstraat

Het eerste ontwerp van 2 april 1952 (!) werd afgekeurd, deels omdat het (te) sterk leek op de Sint Martinuskerk en deels omdat men het te groot achtte. Het moest kleiner en minder rooms. Het tweede schetsontwerp zag er te simpel uit en daarom besloot architect Heineman (bna) om er dan maar een paar ‘schoorstenen’ in te schetsen. En daar was men in Didam wel gelukkig mee.

 

ontwerp_1952 ontwerp_1954 eindontwerp
Eerste ontwerp
2 april 1952
Tweede ontwerp
11 februari 1954
Defnitief ontwerp
4 mei 1954


Het gebouw kwam in de tuin van de oude pastorie te staan (die later werd afgebroken...). Het interieur was ontworpen voor honderd zitplaatsen: zestig in de vorm van banken en veertig in de vorm van stoelen. Voor de bouw van deze kerk hadden vier bedrijven meegedaan aan de aanbesteding op 20 mei 1954:

Naam Bedrag

Fa. Gebr. Joosten en H. B. Hugen, Dorpsstraat 24 A, Babberich
Fa. Altena’s Bouwbedrijf Prinsessestraat 37-39, Arnhem
Fa. J. Scheerder en Zn, C 1, Didam
Fa. J. F. Berendsen en Zonen, Wehlseweg D 137

ƒ 75.992,–
ƒ 75.224,–
ƒ 74.680,–
ƒ 73.000,–


De bouw werd dus aan de Fa. Berendsen en Zonen gegund. Op 25 mei 1954 stuurde architect Heineman aan het college van kerkvoogden de definitieve begroting voor de bouw van de Nederlands-hervormde kerk

Omschrijving Bedrag

Bouwkosten (aanbesteding d.d. 20 mei 1954)
Klokjes met luidvoorziening
Verwarming
Meubilair, gordijnen, electr. ornamenten
Orgel
Tuinaanleg
Honorarium architect, werktekeningen,
opzichters-, reis- en
kantoorkosten
Beloning aannemers

ƒ 73.000,–
ƒ     800,–
ƒ   4.750,–
ƒ   5.400,–
ƒ 17.400,–
ƒ   1.200,–
ƒ   8.650,–

ƒ     800,–

Totaal ƒ 112.000,–

 

kerk_1955
Eindresultaat 1955


Het interieur

De toenmalige predikant – dominee W. P. J. Wesseldijk (predikant in Didam van 1952 tot 1958) vroeg de beeldhouwer Han Petri – zoon van de voorganger van dominee Wesseldijk, dominee Jacobus Petri – om een kunstwerk te maken boven de ingang van de kerk. Han Petri heeft daar ƒ 250,-- via de architect voor in rekening gebracht. Het doopvont is – naar een ontwerp van architect Heineman – gemaakt van Sint Paul’s kalksteen door Steenhouwerij R. van Dijk jr. uit Arnhem, voor de prijs van ƒ 345,--. Eenzelfde doopvont is ook gemaakt voor de Immanuelkerk in Brunssum. De stoelen kwamen van de firma Zwagerstoelen uit Ermelo; de banken, de stoel achter de tafel, de tafel, het liturgiebord met cijfers en letters, de knielbank en de gordijnen werden geleverd door de Fa. J. W. Bolder & Zonen, Timmer- en Meubelbedrijf annex Meubelhandel, Kerkstraat A 36, voor een totaalbedrag van ƒ 4.801,39.

De eerste kerkdienst in de nieuwe kerk werd pas op 12 maart 1956 gehouden.

oude_en_nieuwe_kerk
De oude en de nieuwe kerk


Bronnen:

  • Didam in de Twintigste eeuw, jaar 1955 (Didam 2007)

OLV Kerk

Inleiding

Het buurtschap Loil behoorde aanvankelijk tot de Sint Martinusparochie in Didam. De vele kerkpaadjes getuigden ervan, dat de beminde gelovigen de kortste weg dwars door weilanden en akkerland namen, wanneer ze de kerk bezochten. Daar de Sint Martinusparochie te uitgestrekt was, het aantal gelovigen te groot voor de oude Waterstaatskerk in Didam en het daarom voor het zielenheil wenselijk was, vroeg de pastoor G.H. Reuvekamp twee nieuwe parochies te mogen stichten (Loil en Dijk). De bisschop in Utrecht, monseigneur H. van de Wetering stemde toe in 1909. De grond voor de nieuwe kerk werd in 1909 aangekocht. Architect Rietbergen uit Utrecht had in februari 1910 alle tekeningen gereed en op 24 mei 1910 werd de eerste steen al gelegd. Tot bouwpastoor was op 5 november 1909 Ph.J.J. Inden benoemd. In slechts 174 werkdagen stond de kerk er en dat mag een bijzondere prestatie heten. Al het grondwerk werd met kar en paard verzet en met kruiwagen en schop hielpen veel Loilenaren mee aan de bouw. De specificatie van de bouwkosten van kerk en pastorie kwam uit op ƒ 66.081,43.

grondwerk de_eerste_steen
Helpen met het grondwerk Eerste steenlegging


De financiering en bouwstijl

De moederkerk Sint Martinus in Didam schonk ƒ 30.000,--. De parochianen van Loil zegden toe om gedurende vijf jaren jaarlijks een bedrag van ƒ 600,-- op te brengen en de aartsbisschop droeg ƒ1.000,-- bij. Daarnaast werd een lening aangegaan van ƒ 16.000,--. Het tekort werd volgens de vooraf overeengekomen regeling door bouwpastoor Ph.J.J. Inden betaald en zonder bijkomende verplichtingen aan de nieuwe parochie geschonken. Opmerkelijk bij het totale kostenplaatje was het salaris van de architect, toen al begroot op ƒ 2.463,--. Maar deze architect had er wel iets moois van gemaakt. In de bouwstijl vinden we de invloeden terug van de neogotiek uit de achttiende en negentiende eeuw, herkenbaar aan de spitsbogen en overdekking met kruisribgewelven. De glas-in-loodramen zijn ook het vermelden waard. De plattegrond van de kerk heeft de vorm van een kruis, opgebouwd uit een centraal gelegen schip met aan weerszijde zijbeuken, kapellen en bijvertrekken(sacristieën).

kerk_1910 kerk_1914
De pasgebouwde kerk De kerk in 1910


De consecratie

De kerkconsecratie (kerkwijding) vond plaats op maandag 14 november 1910 door Mgr. Henricus van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht. De kerkwijding zelf was naar de aard van die tijd een indrukwekkende plechtigheid die vele uren in beslag nam. Het was die dag groot feest in Loil. De gehele gevel van de kerk was voorzien van elektrische lampjes die brandden door middel van een dynamo, aangedreven door de zuiggasmotor in de korenmolen. Vetpotjes verlichtten de gevel van de pastorie.


Aktie kerkdak

Dat de parochiekerk de Loilenaren na aan het hart ligt, bleek tijdens de Actie Kerkdak. In 1993 werd door middel van allerlei acties en initiatieven ƒ 154.825,59 bijeengebracht voornamelijk om het dak van orginele nieuwe leien te voorzien waardoor het algemene herstel van het kerkdak werd bereikt.


Tot slot

Voor de Tweede Wereldoorlog was de aankleding van de kerststal in de Loilse kerk een bezienswaardigheid die vanuit de wijde omgeving bezoekers trok. Zo was 1910 dus een bijzonder jaar. De stichting van de parochie is de aanzet geweest tot vele nieuwe ontwikkellingen in het dorp zoals: school, klooster, muziekvereniging, begraafplaats, schutterij, bibliotheek en voetbalvereniging. Loil is ook nu nog een actieve parochie met veel goed opgeleide leken, die ook in de buurtparochies hun diensten verlenen en met veel vrijwilligers die hun tijd geven aan hun kerk en hun gemeenschap. Ook de jaarlijkse financiële bijdrage van de Loilenaren zorgt voor continuïteit. Het eeuwfeest van deze parochie in 2010 werd met gepaste trots gevierd.

processie1 processie2
De kerk tijdens de sacramentsprocessie

 

Bronnen:

  • Staring, F.J.M. en Beursken, J.A.B., e.a. Kerkenboek Didam, thema II 2.2. Oudheidkundige Vereniging Didam (Nijmegen 2000)
  • Loil 2000, Stichting Kontaktraad Loil, (Doetinchem 2002)

Antoniuskerk

Inleiding

Tot 1910 kerkten de (katholieke) bewoners van het huidige Nieuw-Dijk in de St. Martinuskerk in Didam, net zoals de inwoners van Loil. Omstreeks 1900 bleek deze kerk voor al die gelovigen te klein. Allerlei plannen voor een grotere kerk (soort kathdraal) bleken niet haalbaar. Pastoor G.H. Reuvekamp van de St. Martinusparochie nam het voorstel over om tot stichting van twee nieuwe parochies over te gaan. De bestaande Martinusparochie Didam werd opgedeeld in drie parochies: Didam en twee nieuwe parochies in Loil en Dijk (later Nieuw-Dijk). De nieuw op te richten parochies kregen elk van de Martinus parochie ƒ 30.000 en ze kregen ook nog ƒ 10.000,-- mee. Bovendien zou de parochie Dijk nog 5 jaar ƒ 200,-- van de Martinus parochie krijgen. Verder kreeg de nieuwe parochie ƒ 14.329,80 aan bezittingen van het Armbestuur. In 1909 waren de plannen voor de nieuwe parochie en de bouw van de kerk gereed.


Voorlopig kerkbestuur en plaats vestiging kerk

Het voorlopige kerkbestuur bestond uit: Toon Raben, Bart Lanters, Jan Jansen (van de Kamp) en Jan Wiendels (van de Pakop). Er volgde een discussie over de te bepalen plaats van de kerk. Dit was belangrijk want hieromheen zou zich de kern van het nieuwe kerkdorp gaa vormen. Eerst werd gedacht aan de Beekse tol. Anderen hadden de kerk liever aan de toenmalige zandweg, de Smallestraat. Doordat Toon Raben grond beschikbaar stelde aan de Smallestraat forceerde hij de beslissing om daar te bouwen. Het waren twee percelen, te weten G 244 en 245a, totale oppervlakte 0.68.50 ha, voorheen eigendom van de vader van Toon, Gradus Raben.


Bouw kerk en eerste steenlegging

In maart 1910 werd door de eerste bouwpastoor T.C. Bonekamp, samen met pastoor Ph.J.J. Inden van de parochie Loil, vergunning gevraagd voor de bouw van een kerk en pastorie aan de Smallestraat. Deze werd verleend op 2 april 1910. De aannemer was Etmans uit Utrecht en de architect was Rietbergen. De aanneemsom voor de kerk bedroeg ƒ 39.450,--. Omdat het een laag en drassig terrein was, moest eerst 4000 m3 zand vanaf de Smallestraat (plek waar later de Rabobank gevestigd was) verplaatst worden naar het bouwterrein. Alle boeren hielpen met deze zeer zware klus door de drassige zandweg mee. Op 27 september 1910 werd door pastoor Reuvekamp, samen met de bouwpastoors Bonekamp en Inden, de eerste steen gelegd.

eerste_steen bouw_kerk
Eerste steenlegging De bouw in volle gang


De consecratie

De bouw verliep voorspoedig en op 28 mei 1911 werd het nieuwe kerkgebouw door de inmiddels tot deken benoemde Reuvekamp gezegend en dus geopend. De consecratie van de kerk vond op 5 oktober 1911 plaats door de aartsbisschop van Utrecht, Henricus van de Wetering. Dit gebeurde van 7 uur ’s morgens tot bijna in de middag. Alle banken waren uit de kerk gehaald en overal lagen hoopjes as in de vorm van een kruis. De bisschop tekende met zijn staf de letters Alfa en Omega (begin en eind) en in processie ging men om de kerk, het kerkhof, de pastorie en de tuin. De kruisjes in de muren zijn nog van de kerkwijding. Eind januari 1913 moest er echter al een nieuwe vloer in.

kerk_1912 kerk_1915
De kerk omstreeks 1912 De kerk omstreeks 1915


Benoeming pastoor en vaststelling parochiegrenzen

Pastoor T.C. Bonekamp werd op 26 mei 1911 officieel benoemd en hij kreeg ook de officiële stukken met de grensbeschrijving van de parochie. Op 4 juni 1911 nam hij formeel de parochie in zijn bezit en was de nieuwe parochie, gewijd aan de H. Antonius van Padua¹), een feit. Ook werd het eerste nieuwe kerkbestuur benoemd. Dit waren de vier personen die ook het voorlopige bestuur vormden. Pastoor Bonekamp werd op 3 mei 1912 opgevolgd door pastoor C. van Amerongen. In 1936 werd de kerk nog een keer fors uitgebreid. Uit die tijd stamt ook de prachtige beschildering voor in de kerk.

uitbreiding_1936 uitvoering_uitbreiding

Tekening uitbreiding kerk 1936

Uitvoering
werkzaamheden


Gemeentelijk monument

Op 17 mei 1991 werd de St. Antoniuskerk inclusief de pastorie tot gemeentelijk monument benoemd. Met ingang van 16 december 2003 gold dit eveneens voor de pastorie met tuin en Mariakapel. 


Noot:

  • De Heilige Antonius van Padua (Lissabon, 1195-1231) is een kerkleraar en heilige, die theoloog en minderbroeder was. Hij sloot zich in 1210 aan bij de Augustijnen in Lissabon. In 1212 verhuisde hij naar Coimbra om niet langer door familieaangelegenheden gestoord te worden in zijn geestelijke ontwikkeling. Onder de indruk gekomen van de eerste martelaren van de Minderbroeders sloot hij zich in 1220 bij hen aan. Hij trok naar Noord-Afrika om aldaar het Christelijke geloof te verspreiden onder de moslims. Later was zijn werkterrein Frankrijk en Italie. Waarschijnlijk werd hij in 1222 te Forli tot priester gewijd. Veel gelovigen vonden door zijn toedoen de 'juiste' weg terug. Op last van Franciscus van Assisi doceerde hij theologie aan zijn medebroeders. Hij stierf in 1231 en werd nog geen jaar later door Paus Gregorius IX heilig verklaard. In 1946 werd hij als 'leraar van het evangelie' tot kerkleraar uitgeroepen.
    In katholieke kringen wordt Antonius aangeroepen om verloren zaken terug te vinden:

Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m'n (sleutels) vind.
Heilige Antonius, lieve sint, zorg dat ik m'n (sleutels) vind.

Hij is de patroonheilige van de Franciscanen, verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden. En daarnaast patroon tegen schipbreuk, de pest en koorts.

Bronnen:

  • Staring, F.J.M. en Beursken, J.A.B., e.a. Kerkenboek Didam, thema II 2.2. Oudheidkundige Vereniging Didam (Nijmegen 2000)
  • Loil 2000, Stichting Kontaktraad Loil, (Doetinchem 2002)
  • Staring, F., Van bosmark tot kerkdorp, 75 jaar Nieuw-Dijk (Nieuw-Dijk 1986)

Copyright @2018|Oudheidkundige Vereniging Didam| Anjerstraat 6,6942 VW Didam|Tel.nr 0316-224447|
Disclaimer

log in